Criterion Referenced Instruction: opleiden zonder transferproblematiek

De Human Performance Technology biedt naast een mooie analyse-instrumenten (zie o.a. de bijdragen van Jos Arets en Vivian Heijnen) ook opleidingsmethodieken. Eén daarvan is Criterion Referenced Instruction, CRI. CRI kan bestempeld worden als leren op de werkplek in optima forma. En omdat het leren en het beoordelen van het resultaat van dat leren plaatsvindt op de werkplek, is er ook geen discussie over de transfer van het geleerde naar de werkplek. Hoog tijd om deze methode (weer) eens in de schijnwerpers te zetten.

mager six

Criterion Referenced Instruction werd in de tachtiger jaren ontwikkeld door Robert Mager en beschreven in zijn ‘Mager six-pack’.  De Nederlandse versie van de methodiek heet CRIACE, werd in de negentiger jaren ontwikkeld door Henny van der Wielen en is nu eigendom van SBK Advies & Training. De methodiek gaat uit van het stap-voor-stap bouwen van leermodules. De methode is extra krachtig omdat ontwikkeling heel dicht bij de werkvloer plaatsvindt; beroepsbeoefenaars moeten hun proceskennis gedetailleerd expliciteren en dat maakt de modules optimaal afgestemd op de praktijk.

Hoe werkt de methode? Eerst is er een analysefase, waarin het performanceprobleem wordt geanalyseerd (Wat is de gewenste performance?). De performance wordt opgesplitst in processen en per proces wordt een taakanalyse gedaan. In de ontwerpfase wordt voor elke taak een skills hiërarchie gemaakt (In welke volgorde moet je leren? Wat is voorwaardelijk voor wat?). Dan volgt de formulering van de leerdoelen, die altijd performance-gericht. Ze bevatten standaard de activiteit (wat moet je doen?), de conditie (onder welke condities?) en de criteria (wanneer is het goed genoeg?). In het huidige leerlandschap zouden we dit leeruitkomsten noemen (op dit moment onder andere in de schijnwerpers via NLQF, het Nationaal Kwalificatiekader zie www.nlqf.nl). De leerdoelen worden vervolgens uitgewerkt in een assessment; een activiteit op of in de nabijheid van de werkplek waarin geobserveerd wordt of de performance zoals beschreven in de leerdoelen op de juiste wijze wordt uitgevoerd.

Vervolgens worden in de ontwikkelfase modules en job-aids uitgewerkt. De oorspronkelijke versie van CRI laat ruimte voor diverse instructievormen. De Nederlandse versie focust op zelfsturend materiaal dat door studenten zelfstandig en in eigen tijd en tempo wordt doorgenomen. Een mentor zorgt voor procesbegeleiding en organiseert de assessments. Dat maakt dat de modules en ondersteunende materialen heel precies geformuleerd moeten worden: de lerende moet steeds goed weten wat hij moet doen en wie hij wanneer moet betrekken of informeren. De methode bevat een pilotfase waarin een try-out per module plaatsvindt. Na deze try-out en eventuele aanscherping zijn de leermaterialen klaar voor implementatie.

Wat ik charmant vind aan CRI is dat performance centraal staat en dat die performance op proces- en taakniveau wordt bekeken. Het formuleren van leerdoelen volgens CRI is een kunst op zich en kost relatief veel tijd. Je moet immers heel precies formuleren wat je criteria zijn? Wanneer is de het goed genoeg en hoe meet je dat op of zo dicht mogelijk op de werkvloer? Maar dit maakt wel dat er geen afstand is tussen het leren en de transfer naar die werkvloer. De lerende moet op de werkvloer laten zien dat hij de performance beheerst. Hij is zelf verantwoordelijk voor het leerproces, kan met de modules oefenen en aangeven wanneer hij klaar is om zijn proeve van bekwaamheid te doen. Principes die we ondertussen ook in veel e-learning zien, maar daar is toch vaak niet de werkelijke beroepspraktijk maar een simulatie daarvan de context van de assessment!

0 Comments

Leave a reply

©2017 NVO2 - website door Thumbs Up

Log in with your credentials

or    

Forgot your details?

Create Account